ir. Ed.J.Gubbels, geneticus
drs. Peter Prins, dierenarts
instituut Genetic Counselling Services, januari 2005
Een van de meest algemeen voorkomende erfelijke afwijkingen bij katten is Polycystic Kidney
Disease (PKD). De afwijking wordt sinds het eind van de jaren zestig regelmatig in de literatuur
beschreven. Ze wordt het vaakst gemeld bij Perzen en bij Exotics. Vermoedelijk ligt de oorsprong van
de afwijking bij (de voorouders van) de Perzische kat. Ze werd verder verspreid naar rassen waarin
Perzen zijn gebruikt, onder andere om de kwaliteit van de vacht te verbeteren of om het kleurenscala
uit te breiden.
Katten met PKD krijgen in de loop van hun leven in toenemende mate met vocht gevulde blaasjes
(cysten) in hun nieren. De cysten nemen in aantal en in omvang toe. Ze drukken langzaam maar zeker
het nierweefsel weg totdat het punt wordt bereikt waarop de nieren hun normale functies helemaal niet
meer kunnen vervullen. De dieren met PKD vertonen de symptomen van een nierfalen dat in de loop van
de tijd steeds erger wordt. De algemene verschijnselen die daarbij horen zijn verminderde eetlust,
overmatig drinken en gewichtsverlies. Ze sterven uiteindelijk op een leeftijd die meestal tussen
vier en acht jaar ligt aan vergiftigingsverschijnselen (ten gevolge van nierfalen). Een deel van hen
hoeft die laatste fase niet door te maken omdat ze voordien een fatale inwendige bloeding krijgen of
omdat een ander vitaal systeem uitvalt. Er zijn ook meldingen van katten die pas heel laat in hun
leven de eindfase bereiken waardoor PKD niet direct wordt opgemerkt, ze lijken aan de gebruikelijke
ouderdomskwalen te overlijden.
Behalve in de nieren ontstaan bij PKD-katten ook cysten in de lever, de alvleesklier en soms in
de baarmoeder. Die cysten kunnen evenzeer aanleiding geven tot storingen gevolgd door ziekte-
verschijnselen. Naar het zich echter laat aanzien, veroorzaken de cysten in de nieren bij vrijwel
alle PKD-katten de stoornissen en functieverliezen die uiteindelijk de dood tot gevolg hebben.
Door middel van echografisch onderzoek kan PKD worden aangetoond. Dit moet worden uitgevoerd
door een gespecialiseerde dierenarts. Dit onderzoek geeft niet altijd de absolute zekerheid dat een
onderzocht dier ook daadwerkelijk vrij is van PKD. Met name bij jonge dieren (zeker beneden de
leeftijd van circa een jaar) zijn er meestal nog weinig cysten die bovendien klein zijn. Daardoor
blijft er altijd een risico dat de afwijking niet op de echo wordt waargenomen. Omdat het om een
progressief verlopende ziekte gaat neemt dit risico af met het toenemen van de leeftijd.
Er zijn geen medicijnen tegen PKD. We kunnen alleen maar het leven van katten die aan PKD lijden
verlengen en dat zo lang mogelijk zo aangenaam mogelijk proberen te houden. Dat kan op heel beperkte
schaal met een aangepast dieet dat de nieren minimaal belast. Verder kunnen de symptomen van
bijkomende complicaties tot op zekere hoogte worden bestreden. Het verloop en de afloop van de
ziekte zijn echter onvermijdelijk, echte oplossingen zijn er niet.
Het PKD1-gen
Het probleem wordt veroorzaakt door een defect in het DNA op het zogenaamde PKD1-locus (in het
“Polycystic Kidney Disease gen 1”). Het PKD1-gen is de “bouwtekening” voor een eiwit (Polycystine-1)
dat onder andere van belang is voor de normale nierfunctie. Het is niet duidelijk hoe het komt dat
de cysten ontstaan zodra het product van het defecte gen aanwezig is.
Biller e.a. (1996) hebben onderzoek gedaan naar de erfelijke basis van PKD. Zij komen tot de
conclusie dat PKD autosomaal dominant vererft. Dat betekent dat gezonde dieren (dieren die géén PKD
krijgen) het genotype pkd1/pkd1 hebben, terwijl dieren met tenminste één defect allel (PKD1/….) de
afwijking zullen krijgen en uiteindelijk komen te overlijden aan Polycystic Kidney Disease.
Uit onderzoek van Lyons e.a. (2004) is gebleken dat het defecte allel (het PKD1-allel) is
ontstaan door een puntmutatie (een transversie). Katten die aan PKD lijden kunnen met hun defecte
PKD1-allel slechts een deel van de aminozurenketen van het eiwit Polycystine-1 maken. Het defecte
allel, en daarmee de ziekte Polycystic Kidney Disease, wordt van generatie op generatie, van ouders
naar kinderen, doorgegeven.
Ondanks het feit dat het om een dominante afwijking gaat, is Polycystic Kidney Disease bij een
aantal kattenrassen een van de meest voorkomende erfelijke afwijkingen. De reden daarvoor is, dat de
afwijking pas zichtbaar wordt nadat er met de dieren al is gefokt. Vaak hebben ze zelfs al klein- en
achterkleinkinderen tegen de tijd dat ze duidelijke symptomen vertonen en de eigenaar merkt dat ze
aan PKD lijden. De fokkers weten bij de keuze van hun fokdieren niet welke dieren later de afwijking
gaan vertonen. Het echografisch onderzoek, waarmee de toekomstige lijders op jongere leeftijd kunnen
worden opgespoord, wordt pas sinds een aantal jaren op wat grotere schaal toegepast en heeft nog
slechts een bescheiden verbetering in die situatie gebracht. Bovendien laten nog steeds niet alle
fokkers hun toekomstige fokdieren onderzoeken en blijft er altijd een risico dat de cysten bij
onderzoek op jongere leeftijd niet worden gezien.
Een DNA-marker voor PKD1
Er is sinds kort een DNA-test beschikbaar waarmee we bij katten het genotype voor het PKD1-locus
kunnen vaststellen (Lyons e.a., 2004). Dat betekent dat we op voorhand, vóórdat de dieren worden
ingezet voor de fokkerij, kunnen vaststellen welke katten op latere leeftijd in de problemen komen
tengevolge van PKD. Het onderzoek met behulp van de genmarker kan de volgende uitkomsten opleveren:
Rassen die risico’s lopen
Uit de gegevens die het Engelse “Feline Advisory Bureau” (FAB) daarover geeft blijkt dat PKD bij
een groot aantal rassen voorkomt. Het gaat natuurlijk op de eerste plaats om Perzen en Exotics, de
rassen waarin het probleem op grotere schaal werd onderkend. Het FAB vond voor deze rassen in haar
echografisch screeningsonderzoek frequenties van dieren met Polycystic Kidney Disease van
respectievelijk 35 en 32 procent. Lyons e.a. (2004) noemen voor de Pers in de Verenigde Staten een
vergelijkbaar percentage (38 procent).
Verder is er een groot aantal rassen waarin in het verleden door middel van kruisingen kenmerken van
Perzen of Exotics werden ingebracht. Het FAB meldt PKD bij de rassen Brits Korthaar, Burmilla,
Tiffany, Heilige Birmaan, Bombay, Cornish Rex, Devon Rex, Ragdoll en Snowshoe. Tot slot zijn er nog
wat rassen die volgens het FAB een wat lager risico voor PKD hebben: met name Oosters Halflanghaar
(bij de FIFe Javanees), Oosters Korthaar, Balinees, Siamees, Tonkanees, Burmees, Maine Coon, Noorse
Boskat en Turkse Van.
De rassen die hier niet worden genoemd zijn niet bij voorbaat vrij van PKD. Met name wanneer een
erfelijke afwijking niet vaak voorkomt binnen een ras, hebben de fokkers er minder aandacht voor en
wordt er minder of geen gericht onderzoek gedaan naar de doodsoorzaak van de uitvallers.
In Australië vonden Beck en Lavelle (2001) bij de 250 Perzen en 14 Exotics die voor echografisch
onderzoek bij de Universiteit van Melbourne werden aangeboden respectievelijk 45 en 50 procent dieren
met Polycystic Kidney Disease. Het gaat hier echter niet om een aselecte steekproef uit de populatie.
Het betreft een voorgeselecteerde groep van dieren waarvan de eigenaar het om een of andere reden
zinvol vond om ze te laten onderzoeken. Barrs e.a. (2001) komen in Sydney en Brisbane bij
kliniekpopulaties tot vergelijkbare percentages voor de Pers en noemen verder nog de Burmilla (met 14
procent PKD).
Op de Amerikaanse website van “Per-Lore and Himi-Lore” (2005) worden resultaten verzameld van
echografisch PKD-onderzoek bij katten. Voor de Pers blijkt op een totaal van 7083 dieren 38 procent
aan PKD te lijden. Van de 313 katten behorend tot de ”overige rassen” blijkt 16 procent PKD-lijder te
zijn. Behalve een aantal van de hiervoor genoemde rassen en enkele rassen die nauwelijks in Nederland
en West-Europa voorkomen, komt ook de Scottish Fold met bijna 27 procent PKD in deze lijst voor.
Hoe de PKD-situatie is in de sub-populaties in Nederland en de omringende landen is niet geheel
duidelijk. We moeten aannemen dat die vergelijkbaar is met hetgeen in de literatuur wordt gemeld. Het
is in ieder geval van belang dat de fokkers samen goede selectie-afspraken maken zodra er
aanwijzingen zijn voor PKD binnen het ras.
Fokkerijbeleid
Het eerste doel bij het streven naar het behoud van rassen, is het behoud van de genetische
variatie van die rassen. Het bij voorbaat uitsluiten van alle dieren die het ongewenste gen bij zich
dragen is meestal geen optie. Nemen we als voorbeeld de Perzen waarbij 35 procent of meer van de
dieren het PKD1-allel heeft. Het zal duidelijk zijn dat het schadelijk is voor het ras, wanneer we
alle dieren die het defecte allel bij zich dragen onmiddellijk willen uitsluiten. Dat zou tot
overselectie leiden waardoor te veel van de beschikbare erfelijke variatie (van de genenpool) van het
ras verloren zou gaan.
Indien we tegen PKD (of een willekeurig ander ongewenst kenmerk) willen selecteren zullen we een
plan moeten maken dat recht doet aan onze behoudsdoelstelling voor het ras. Dat kan betekenen dat we
één of meer generaties doorgaan met het inzetten van dieren die het defecte gen bij zich dragen om
daarmee de toekomstkansen voor het ras veilig te stellen. In het geval van PKD beschikken we over een
DNA-marker die ons in de gelegenheid stelt om te voorkomen dat er lijders voor de fok worden gebruikt.
Indien dat in het belang is van het behoud van de genenpool kunnen we deze dieren wèl gebruiken en
vervolgens de daaruit geboren kittens screenen op aanwezigheid van het PKD1-allel.
Wanneer we tegen erfelijke afwijkingen selecteren moeten we niet uit het oog verliezen dat de
dieren die het ongewenste gen bij zich dragen, ook hun aandeel van het genenbezit van het ras naar de
volgende generatie brengen. Met name wanneer het gaat om veelvuldig voorkomende afwijkingen is daarom
voorzichtigheid bij de selectie geboden. Dankzij de beschikbaarheid van de DNA-marker kunnen we in de
opeenvolgende generaties het aantal dragers verminderen en stap voor stap het ongewenste allel kwijt
raken. Zonder dat we daarbij hele lijnen (genetische herkomsten) verliezen.
Referenties
Voor info over de genmarker voor PKD1 kunt u terecht op www.gencouns.nl
