Tekst en foto’s: G. van den Brink, dierenarts.
Dierenziekenhuis Drechtstreek te Dordrecht
www.dapdrechtstreek.nl
Functie van de patella
Normaal beweegt de patella ( knieschijf ) over een groeve in de condyl (het onderste deel van het dijbeen) in de richting
van het been, naar boven of naar onderen. De patella ligt in de groeve van de condyl en beweegt dus door een soort glijbaan. Een
zijwaartse beweging is in principe niet mogelijk. De knieschijf is aan de bovenzijde aan een bovenbeenspierspier verbonden en met
een pees aan de onderzijde aan het bovenste deel van het kuitbeen.
Als de spier zich samentrekt gaat het knie-gewricht zich strekken en beweegt het onderbeen naar voren. Verslapt de spier zich
dan kan de knie zich weer buigen. De knieschijf heeft dus een soort katrolfunctie.

Patellaluxatie
Patella luxatie is een aandoening van het kniegewricht waarbij er een abnormale beweeglijkheid optreedt van de knieschijf
over het onderste deel van het dijbeen, de condyl. Meestal beweegt de knieschijf zich bij de kat en hond dan in mediale richting
(naar binnen). In tegenstelling tot bij het paard waar een luxatie naar lateraal optreedt ( naar buiten).
De functie van de knieschijf is sterk ver-minderd en een maximale belasting is niet mogelijk. Bovendien hebben andere banden en
kapsels veel meer kracht te verwerken en er kunnen hier ook ongewenste neveneffecten optreden. Zo zie je nogal eens een kruisband-ruptuur
optreden als ongewenst neveneffect van een patellaluxatie. De stand van de poot waarbij een patellaluxatie optreedt is ook anders doordat
de knie iets naar buiten draait bij een luxatie naar binnen. De afzetkracht van de bewuste poot is minder en extreme bewegingen zijn
pijnlijk. De kat loopt kreupel.
Gradaties
Er is geen internationale officiële standaard waarin de ernst van de situatie kan worden uitgedrukt.
Enerzijds omdat er grote verschillen tussen rassen aanwezig zijn en anderzijds omdat de aandoening ook bij andere dieren dan katten
voorkomt.
Toch worden er meestal vier gradaties onderkend:
Welke katten hebben het
Hoewel de aandoening bij alle rassen en kruisingen voorkomt zie je de aandoening het meest bij dieren met lange achterpoten
waarbij er vaak een gestrekte stand van de knie optreedt. Ook dieren met afwijkende gedraaide dijbeenderen vertonen de aandoening vaker.
Dus de lengte en/of het niet recht zijn van de dijbeenderen kunnen de aandoening in de hand werken. De diepte van de groeve is
ook bepalend voor het wel of niet op kunnen treden van de luxatie.
Doordat de patella luxatie door een of meerdere factoren kan worden veroorzaakt is het moeilijk om door een fokprogramma de
aandoening uit te bannen. Natuurlijk is het wel van belang om met dieren waar de aandoening in meer of mindere mate is vastgesteld niet
te fokken. Deze dieren zouden direct gecastreerd moeten worden.
Diagnose
De diagnose is te stellen door een dierenarts die de op de hoogte is van de bouw van een kniegewricht. De patella is met duim en
wijsvinger vast te pakken en zo kan er worden nagegaan of er een abnormale beweeglijkheid aanwezig is. Mogelijk kan ook een stationaire
patellaluxatie worden vastgesteld.
Met behulp van röntgenfoto's is ook de oorzaak van de patellaluxatie vast te stellen.
Zo kunnen diepte van de groeve, de hoek van het kniegewricht en de belijning van het dijbeen zichtbaar worden gemaakt en worden
gemeten. In het dierenziekenhuis te Dordrecht worden deze metingen altijd voor de operatie verricht om de operatietechnieken er op aan
te kunnen passen.
Therapie
Een patella luxatie kan operatief worden hersteld. Het is niet altijd nodig een operatieve correctie uit te voeren. Denk bijvoorbeeld
aan gradatie 1 en 2. Als het dier er in het dagelijks leven geen last van heeft is een operatieve correctie niet nodig. Alleen als te
verwachten is dat er een verergering van de klachten op zal optreden moet dat wel gebeuren. Als er sprake is van gradatie 3 of 4 is een
operatie wel gewenst om ongewenste neveneffecten (denk bijvoorbeeld aan kruisbandrupturen) te voorkomen. Ook zal een dier met een
patellaluxatie gradatie 3 of 4 slecht kunnen lopen en is het welzijn van het dier gestoord.
Operatietechnieken.
In de loop der jaren zijn er allerlei operatietechnieken gebruikt afhankelijk van de graad van afwijking, gewicht van het dier,
leeftijd van het dier en ernst van de verschijnselen. Bij honden worden er ook vele operatiemethoden gebruikt die niet allen geschikt
zijn voor de kat omdat er bij de kat veel meer explosieve krachten op de kapsels en banden werken. De kat is meer een dier wat plotseling
springt en sprint. Ook een doelgericht herstelprogramma als bij de hond na een operatie is veel moeilijker omdat een wandeling met een
poes van een km tot meer niet mogelijk is.
Vroeger werd wel het inkorten van kapselbanden als een methode aangegeven waarna de patella wat strakker op de groeve komt te liggen.
Het uitdiepen van de groeve wordt nog steeds algemeen toegepast, zodanig dat eerst een stukje kraakbeen wordt verwijderd en daarna
de groeve wordt verbreed en dieper wordt gemaakt. Daarna wordt het kraakbeen weer in de groeve gelegd. Zo blijft de patella over een
gladde oppervlakte glijden. Belangrijk is dat de stand van de patella ten opzichte van het onderbeen goed is. Meestal is deze afwijkend
waardoor er een luxatie optreedt of dreigt op te treden. Door de bovenste voorzijde van het kuitbeen waaraan de pees van de patella is
bevestigd los te maken en te verplaatsen naar de buitenzijde wordt bij een patella luxatie naar binnen voorkomen dat de patella kan
luxeren. Het verplaatsen van het bovengenoemde deel van het kuitbeen kan op vele manieren gebeuren en hangt af van de ervaring van de
chirurg en de ernst van de aandoening. Het voert te ver deze technieken hier allen te bespreken.
Nazorg
In het algemeen is het niet nodig om zoals bij de hond de poot in het gips of verband te zetten. Toch proberen we in het
Dierenziekenhuis te Dordrecht de geopereerde dieren zoveel mogelijk te verbinden en voor de operatie al te wennen aan kragen om het
beschadigen van de wond door likken te voorkomen. Ook kunnen de dieren worden opgenomen voor intensieve verzorging als de eigenaar daar
geen kans toe ziet. Paraveterinairen, verbonden aan het dierenziekenhuis, kunnen als nazorg ook fysiotherapie toepassen. Meestal is het
dier na een tot twee weken weer aardig mobiel. Wel is het van belang je te bedenken dat een totale botgenezing zes tot acht weken duurt.
Na drie tot vier maanden is het dier, mits er geen complicaties zijn opgetreden, weer geheel hersteld.
In dit artikel gaat dhr. G. van de Brink iets dieper op de materie in dan bij het vorige artikel.
Tekst en foto’s: G. van den Brink, dierenarts.
Dierenziekenhuis Drechtstreek te Dordrecht
www.dapdrechtstreek.nl
Inleiding
De knieschijf of patella is één van de loszittende delen in de knie en is dus onderhevig aan mogelijke verplaatsingen. Een
patellaluxatie betekent dus een verschoven knieschijf. Er zijn verschillende vormen van luxaties.
![]() |
| fig 1. normale knie en knie met patella luxatie |
Oorzaak
Het kniegewricht is het scharnier tussen de femur (dijbeen) en de tibia (onderbeen). Aan de voorzijde van de femur loopt een sleuf
waar de knieschijf overheen glijdt. Boven zit de knieschijf vast aan de pees van de Quadriceps-spier en aan de onderzijde zit de kniepees
die op haar beurt weer vastzit aan een beenkam van het onderbeen.
![]() |
| Het verband tussen al de banden en de meniscus is hier goed te zien. |
Bij sommige katten is de sleuf in de femur niet diep genoeg waardoor de patella uit die sleuf kan glijden. Als dit gebeurt spreken we van een aangeboren patella luxatie.
![]() |
| De sleuf in het bovenbeen is hier te beoordelen. |
Anderzijds kan het gewrichtskapsel door een of ander trauma (auto ongeval, verkeerd neerkomen) scheuren waardoor de patella nog onvoldoende in de sleuf wordt getrokken en dus ook kan luxeren. Als dit gebeurt spreken we van een traumatische patella-luxatie.
Diagnose
De diagnose van een patellaluxatie is niet moeilijk te maken. Iemand met een beetje ervaring kan de patella gemakkelijk
vastnemen en verplaatsen.
![]() |
![]() |
| gezonde knie | artrotische knie tgv patellaluxatie |
Behandeling
Bij het onderzoek voor de behandeling moet niet alleen naar de ligging van de patella gekeken worden maar ook naar de stand van de
femur. Verder zijn de kromming van de beenkam op het onderbeen en de diepte van de sleuf in het dijbeen van belang.


Behandeling na de operatie
De nazorg, die door U gedaan wordt is van cruciaal belang voor de verdere genezing van de heup van uw dier.
Na 6 weken zien wij u dan nog eens terug voor een algemene controle.
Een ander belangrijk onderdeel in de revalidatie is het geven van :