ir. Ed.J.Gubbels, geneticus, instituut Genetic Counselling Services, augustus 2005
Fokken is een kwestie van afwegen, van keuzes maken en beslissingen nemen. We beoordelen de
dieren die we voor de fok willen gebruiken allereerst op hun eigen kwaliteiten. We willen natuurlijk
alleen maar met dieren fokken die over de beste eigenschappen beschikken. Als we daar beter over
nadenken, wat we eigenlijk willen is een volgende generatie die over de beste eigenschappen beschikt.
Fokkers zijn meer geïnteresseerd in de erfelijke aanleg van hun fokdieren dan in de uiterlijke
eigenschappen van de dieren zelf. Daarom gaan ze zorgvuldig na hoe het zit met de familie van hun
fokdieren. Wat voor ouders zitten er achter? Hadden die erfelijke problemen? Hoe hebben de
nestgenoten het gedaan? Waren er problemen in de familie waarvan we in onze eigen fokkerij last
zouden kunnen hebben? Gegevens over familieleden zijn erg belangrijk, ze geven een beeld van de
erfelijke risico’s die we bij de inzet van onze fokdieren lopen.
In toenemende mate krijgen we bij de fokkerij hulp van de veterinaire (en de medische)
wetenschap. Er worden steeds meer gezondheidsonderzoeken en -testen ontwikkeld. Al langer zijn er de
echografische hart- en nieronderzoeken, de röntgenologische heup- en elleboog-onderzoeken en een
hele reeks van klinisch-chemische onderzoeken die ons extra informatie opleveren over de (erfelijke)
kwaliteiten van potentiële fokdieren. In de laatste jaren zijn daar de DNA-markers bijgekomen. We
kunnen nu al voor een aantal kenmerken het genotype (de erfelijke aanleg) van de fokdieren
vaststellen. Dankzij de DNA-markers weten we of ze voor die kenmerken “lijder”, “drager” of “vrij”
zijn. Daarmee kunnen we die afwijkingen binnen een aantal jaren volledig uitbannen.
In de komende tijd zal het aantal DNA-testen dat voor onze gezelschapsdieren beschikbaar komt in
razend tempo toenemen. Vooral voor honden en katten wordt door een groot aantal onderzoeksinstituten
hard gewerkt aan de ontwikkeling van DNA-markers. Daarmee krijgt de fokker steeds meer hulpmiddelen
om te voorkomen dat de volgende generatie lijdt aan allerlei gezondheids- en welzijns-stoornissen.
Een hele reeks van erfelijke afwijkingen die voorheen bijna onuitroeibaar leek, kan binnen een
beperkt aantal jaren tot het verleden gaan behoren.
Ook de fokkers gaan in deze ontwikkeling mee. Steeds meer fokkers zien het belang in van deze
gezondheidsonderzoeken, ze willen zoveel mogelijk betrouwbare informatie hebben over de erfelijke
aanleg van fokdieren. Ook de rasverenigingen raken ervan overtuigd dat deelname aan dit soort
onderzoeken persé moet, in het belang van het ras. De onderzoeksresultaten, niet alleen van de
fokdieren zelf, ook van hun verwanten, worden alsmaar belangrijker om de juiste beslissingen te
nemen in de fokkerij.
Betrouwbare afstammingsgegevens
Wanneer we de gegevens van verwante dieren willen gebruiken bij onze fokkerijbeslissingen, moeten
we er natuurlijk wel zeker van kunnen zijn dat de afstammingsgegevens kloppen. Bij rashonden is dat
geen probleem. Alle dieren worden “geïdentificeerd”, ze worden voorzien van een unieke chip en het
chipnummer wordt vermeld op de stamboom en in het stamboek. Daarmee ligt eenduidig vast welk dier we
bedoelen als we het over een bepaald dier hebben. Met een eenvoudige “reader” (een elektronisch
apparaatje) kunnen we het chipnummer lezen en vaststellen of het dier en het stamboomcertificaat bij
elkaar horen.
Bij een groot deel van de raskatten (en bij sommige niet-erkende hondenrassen) is dat minder
eenvoudig. Er is bij de meeste kattenstamboeken geen verplichting tot identificeren. Daarmee worden
er stambomen uitgegeven die alleen voor de fokker zelf “waarde” hebben. In principe kunnen deze
stambomen worden gebruikt bij elke kat van hetzelfde ras, hetzelfde geslacht en dezelfde kleur. Er
is niemand die met eenvoudige middelen kan controleren of het dier en de bijgeleverde stamboom ook
echt bij elkaar horen. Een buitenstaander kan alleen maar afgaan op het “erewoord” van de fokker of
de eigenaar. Dat maakt dat die stambomen in principe waardeloos zijn wanneer er door anderen
belangrijke conclusies aan moeten worden verbonden. Het probleem is dat het “erewoord” voor sommigen
een nogal ruim begrip is.
Bij de huidige ontwikkelingen, waarbij er steeds meer informatie beschikbaar komt die van belang
is voor àlle fokkers, is het identificeren van dieren bij inschrijving in het stamboek een absolute
noodzaak. Een betrouwbare afstammingsregistratie begint met de verklaring van de fokker dat zijn
geïdentificeerde pups of kittens van met name genoemde ouders afkomstig zijn. De aangewezen ouders
zijn vindbaar en controleerbaar omdat ze ook voorzien zijn van een chip waarvan het nummer in de
afstammings-registratie is vastgelegd.
Uiteraard komen er in een dergelijke registratie ook wel eens fouten voor. Het zou zomaar kunnen
gebeuren dat de fokker zich vergist. Hij zou een verkeerde vader kunnen aanmelden voor de registratie
of misschien werden er pups of kittens van andere ouders toegevoegd aan het nest. In principe hoeft
dat voor de fokkerij geen probleem te zijn. Wanneer het ècht belangrijk is kan de afstamming worden
gecontroleerd door van de pups of kittens en hun veronderstelde ouders de DNA-profielen te bepalen en
die te vergelijken. Bij dit soort vergissingen kan, als dat nodig is, duidelijkheid worden geschapen.
Ook voor deze afstammingscontrole is de chip en het chipnummer weer van belang. Het heeft meestal
weinig zin om een DNA-profiel vast te stellen voor een dier waarvan we alleen maar het ras, het
geslacht en de kleur weten.
Betrouwbare onderzoeksgegevens
Wat geldt voor de afstamming van dieren, geldt op dezelfde wijze ook voor resultaten van
gezondheids-onderzoeken. Het komt nog steeds voor dat eigenaren hun dieren laten onderzoeken op
allerlei afwijkingen en daarbij nalaten de identiteit van het dier te laten vaststellen. De uitslag
van een onderzoek bij een dier waarvan de identiteit niet werd gecontroleerd en bevestigd (of
waarvan de identiteit niet te controleren is) is hooguit voor de eigenaar van belang. Voor alle
andere eigenaren en voor de fokkers is dit een waardeloos document. Ook hier geldt weer dat het
“erewoord” van de eigenaar onvoldoende garantie biedt wanneer op basis van dit rapport fokkerij-
beslissingen moeten worden genomen.
Indien we gegevens willen verzamelen die van waarde zijn voor de fokkers, en dus voor het
fokkerijbeleid van het ras, moet aan een aantal voorwaarden worden voldaan. De eigenaar die het dier
voor onderzoek aanbiedt zal een kopie van het identiteitsdocument (bijvoorbeeld van de stamboom)
moeten meebrengen waarop het identificatienummer (het chipnummer) van het dier is vermeld. Degene die
het onderzoek uitvoert of het monster voor het onderzoek afneemt (meestal een dierenarts) controleert
en stelt vast dat het chipnummer van het dier overeen komt met het nummer op de kopie van het
identiteitsdocument. Hij zet er zijn handtekening voor dat het dier waaraan hij het onderzoek doet of
waarvan hij het monster afneemt, het dier is dat op de kopie is vermeld.
Dankzij deze controle en vervolgens de handtekening van degene die de identiteit van het dier
vaststelde wordt ook voor anderen aannemelijk gemaakt dat dit onderzoeksresultaat verkregen werd
door onderzoek aan het genoemde dier. Dat is belangrijk omdat het resultaat daarmee met recht kan
worden opgenomen in een registratie waaruit de fokkers hun informatie kunnen halen. Op deze wijze
krijgt het onderzoeks-gegeven van dat ene dier waarde voor het fokkerij-beleid van het hele ras.
Bewaking van de kwaliteit van onderzoek
Nadat de stamboeken het identificeren (chippen) van dieren verplicht hebben gesteld en nadat er
afspraken zijn gemaakt over het vaststellen en bevestigen van de identiteit van dieren die voor
onderzoek worden aangeboden, blijft er nog één stap te gaan. Ook degenen die de identiteit moeten
controleren en degenen die onderzoek doen vergissen zich wel eens.
In de haast en de drukte kan het wel eens voorkomen dat de identiteit van het dier niet goed
wordt gecontroleerd. Het chipnummer wordt dan overgenomen van de kopie van het registratie-document
en daarmee wordt ten onrechte de indruk gewekt dat er iemand borg voor staat dat het resultaat van
onderzoek bij het genoemde dier hoort. Dat gaat mis zodra inderdaad blijkt dat er een onderzoeks-
resultaat bij het verkeerde dier werd afgegeven. Dergelijke fouten zijn natuurlijk zeer schadelijk
voor het vertrouwen dat de fokkers hebben in het systeem van meten en registreren. Bovendien, zodra
blijkt dat er inderdaad wat fout is gegaan, is de situatie ineens bijzonder onduidelijk, niemand
weet wie hij moet aanspreken voor de vervelende gevolgen van een dergelijke misser.
Ook op andere wijze kan er discussie ontstaan over de waarde van onderzoeksresultaten. Met name
wanneer meerdere beoordelaars onafhankelijk van elkaar eenzelfde onderzoek uitvoeren, is er altijd
een zeker risico dat er systematische verschillen tussen de beoordelaars ontstaan. Wat de een “best
nog redelijk” vindt, vindt de ander “slecht”.
Er is een overleg- en toezichtsorgaan nodig dat de resultaten van metingen analyseert en ervoor
waakt dat bij deze beoordelingen een standaardprocedure en een standaardclassificatie wordt toegepast.
Er moet een onafhankelijk instituut zijn dat het vertrouwen van de beoordelaars geniet en dat de
onderzoeksresultaten in overzichtelijke vorm voor hen beschikbaar maakt.
Dat instituut moet over de resultaten van de analyses met de onderzoekers het gesprek aangaan om
tot een zo hoog mogelijk niveau van standaardisatie te komen. Dit om te bereiken dat het niet meer
uitmaakt of de uitslag van een onderzoek door de ene of door de andere onderzoeker werd vastgesteld.
Voor de fokkers, degenen die met deze resultaten hun fokbeleid moeten maken, is dat erg
belangrijk. Ze moeten er blind op kunnen vertrouwen dat de uitslag “goed” ook “goed” is, zonder dat
ze zich moeten afvragen wie deze uitslag heeft vastgesteld.
Het certificeren van gezondheidsonderzoek
Individuele fokkers, rasverenigingen en stamboek-voerende organisaties zijn meestal onvoldoende
uitgerust om alle aspecten van gezondheids-onderzoeken te overzien en te bewaken. Het beoordelen van
de onderzoeksmethodiek, het overleg met de specialisten en het analyseren van de onderzoeksresultaten
vraagt specialistische kennis die vaak niet voorhanden is. Bovendien, omdat de fokkers en hun
organisaties direct belanghebbend zijn, komen verschillen van inzicht en geschillen te snel in de
sfeer van tegenstellingen tussen ongelijkwaardige partijen.
Deze knelpunten kunnen worden voorkomen indien er een onafhankelijk instituut is dat namens de
fokkers en hun vertegenwoordigende organisaties deze taken behartigt. Het instituut vervult de
brugfunctie tussen enerzijds de eigenaren en fokkers en anderzijds de onderzoekers en
onderzoeksinstituten. Dat certificerend instituut heeft als primaire taak de kwaliteitsbewaking van
het onderzoek, het overlegt namens de fokkers over de te kiezen onderzoeks-methodiek en het
certificeert de onderzoeks-resultaten. Uiteraard moet dat certificerende instituut over voldoende
specifieke kennis beschikken om enerzijds als gesprekspartner voor de onderzoekers en anderzijds als
gesprekspartner voor de fokkers op te treden.
Een certificerend instituut vervult een aantal taken, betreffende het onderzoek en de onderzoekers:
Samenvattend, het certificerende instituut draagt zorg voor de borging van de kwaliteit van gezondheidsonderzoeken zodat de fokkers over de meest betrouwbare onderzoeks- en testresultaten kunnen beschikken. Dat kan natuurlijk alleen maar als de fokkers of hun stamboekorganisaties ervoor zorgen dat de dieren waar het om gaat individueel herkenbaar zijn, ze moeten geïdentificeerd zijn.
Bron : Website “Genetic Counselling Services” : www.gencouns.nl