door Jean-Paul Maas
foto's Celesta Nooy
De Maine Coon, Scheepskat der Vikingen. Een wasbeertje werd verliefd op een wilde boskat. Zijn
gevoelens werden beantwoord en hun verbintenis werd bezegeld met een nest... Maine Coons. Dat
romantische verhaal vertellen de oude Noord-Amerikaanse vallenzetters en pelsdierjagers al sinds de
zeventiende eeuw. Wildbiologen verzekeren dat bastaarden van wasberen en boskatten tot het rijk der
onmogelijkheden behoren. Toch hadden de oude trappers meer bewijzen tot hun beschikking dan de
oppervlakkige gelijkenis van de Maine Coon met een wasbeertje. Overigens, Coon is een afkorting van
raccoon, het Engelse woord voor wasbeer.
In het uiterste Noordoosten van Amerika ligt Nieuw-Engeland. En in het uiterste Noordoosten van Nieuw-Engeland, tegen het franstalige Canadese Québec aan, ligt de staat Maine, anderhalf keer zo groot als België, Nederland en Luxemburg tezamen. Een gebied van uitgestrekte bossen en kleine boerderijen. Een golvend heuvellandschap vol gloeiende kleurenweelde als de rode esdoorn bloeit. Langs zijn lange kust met talloze inhammen, baaien en fjorden verdienen de kreeften- en sardinevissers hun brood in een harde strijd tegen de elementen. Maine telt zeven miljoen hectare bos, tweeduizendvijfhonderd meren en ruim twee maal zoveel rivieren en beken.
Langs al die meertjes, poelen en stroompjes scharrelen de kleine wasberen hun kostje op. Met hun
aapachtige lange dunne vingertjes vangen zij ijverig zoetwater- mosselen, kleine visjes,
rivierkreeftjes of puiten. Hun naam danken zij aan hun gewoonte hun voedsel eerst te wassen voordat
zij het opeten. Er wordt echter ook wel verondersteld dat zij dit niet in het wild, maar slechts in
gevangenschap doen. Overigens eten zij als het moet alles wat zij maar kunnen bemachtigen, ook
plantaardig voedsel. Deze aardige schuwe diertjes zijn nog geen meter lang en wegen rondom de tien
kilo. Zij hebben een stevig lichaam met korte voorpootjes. Als een echt beertje lopen zij op een
sukkelgangetje. Hun lange vacht is grijsgrauw; de geelbruine dekharen hebben een zwart puntje. Over
de ogen en wangen dragen zij een opvallend zwart dievemaskertje. Hun dikke pluimstaart telt wel vijf
tot acht zwarte ringen. En nu wat hun succesvolle paringen met wilde boskatten betreft. Oordeel
zelf. In grootte komen beide dieren aardig overeen. Een boskat, met inbegrip van de staart, meet
ruim een meter. Gewichten tot vijftien kilo zijn vastgesteld. De vachtkleur lijkt sterk op die van
de wasbeer; geelachtig grijs met zwarte strepen. De vacht is dicht, vaak zelfs langharig. Wasberen
en boskatten leven graag in hetzelfde gebied, heuvelachtig en licht bebost met een rotsachtige
ondergrond. Beide klimmen in bomen en overnachten daar ook bij voorkeur. Beide dragen hun jongen
even lang, tussen 61 en 63 dagen. De nestgrootte van een wasbeer loopt van twee tot vijf en bedraagt
gemiddeld vier. Dat is precies evenveel als bij de kat. Maar de meest opvallende en treffende
overeenkomst is misschien wel de volgende. Panleukopenie is de ergste aandoening die katten kunnen
krijgen. Ze worden er doodziek van en haast alle katten die er door worden getroffen, sterven er
aan; soms binnen een paar uur. Deze verschrikkelijke ziekte is buitengewoon besmettelijk, maar
uitsluitend voor katachtigen. Daarom heet deze dodelijke aandoening ook wel katteziekte. Geen enkel
ander dier kan deze ziekte krijgen... behalve de wasbeer! Hadden de oude Amerikaanse kolonisten geen
redenen te over om te denken dat de Maine Coon wel degelijk afstamt van de wasbeer? Het enige
verhaal over het ontstaan van dit bijzondere kattenras is het overigens geenszins. Wetenschappelijk
waarschijnlijker is de veronderstelling dat de geschiedenis van de Maine Coon samenhangt met de
ontdekking van Amerika.
Bij het ochtendgloren van vrijdag 3 augustus 1492 varen drie scheepjes met gebolde zeilen de Spaanse
haven Palos uit, ten westen van Cadiz. De lange rood-harige bevelvoerder van de kleine vloot staat
trots wijdbeens op het plecht van zijn vlaggeschip, een karveel met de vrome naam Santa Maria. Hij
heet Christoffel Columbus en is op reis naar de weelderige schatten van de Oost. De vloot zet echter
recht naar het westen koers. Columbus is op ontdekkingsreis. Hij is er vast van overtuigd dat "over
de west" de afstand naar Oost-Azië vele malen korter is dan de gebruikelijke route oostwaarts langs
Kaap de Goede Hoop over de Indische Oceaan. Op 12 oktober zet hij voet aan wal op San Salvador in de
Bahamas. Op dezelfde reis ontdekte hij nog Cuba en Haïti. Naar hij stellig meent is hij nu in China.
Columbus maakte nog drie ontdekkingstochten naar het westen. Tweemaal bereikte hij op die reizen het
vasteland van Amerika. Hij bleef er echter van overtuigd de nieuwe zeeweg naar Azië te hebben
gevonden. Tot zijn dood in 1506 heeft hij niet geweten dat hij de ontdekker was van de Nieuwe
Wereld. "1492, Columbus ontdekt Amerika", is dus een historische onjuistheid.
Er is echter een nog
veel belangrijker reden waarom hij niet kan worden beschouwd als de ontdekker van Amerika. Andere
Europeanen waren hem vijf eeuwen voor. Van de achtste tot de elfde eeuw leed Europa onder de
herhaalde plundertochten van ruwe wrede zeerovers uit het hoge Noorden, de Noormannen. Zelf noemden
deze woeste Scandinaviërs zich Vikingen: koningen van de zee. Belust op buit en avontuur voeren zij
in hun smalle aan de uiteinden hoog oplopende drakeschepen tot diep landinwaarts; de Rijn op tot bij
Mainz, Moezelopwaarts tot Trier. Aken werd gebrandschat, Londen en Parijs geplunderd. Zij bezetten
grote delen van Engeland, Normandië in Frankrijk en kwamen zo ver als Palermo in Sicilië en Kiev in
Rusland. Op IJsland en Groenland vestigden zij zich. Van daar uit, dankzij een gunstige wind
bereikten zij in 999 onder aanvoering van Leif de Gelukkige het Amerikaanse vasteland, in de buurt
van New Foundland en Labrador. Hun godsdienst was al even woest en primitief als deze blonde
krijgers zelf. Hun goden tezamen vormden een krijgsvolk bedeeld met bovenmatige kracht. Als die
goden geen oorlog voerden, vierden ze feest in hun hemels verblijf, het Walhalla. Dan schransden zij
in ongelooflijke hoeveelheden en dronken mateloos.
Wodan was hun machtigste god. Hij was de geest van oorlog en storm. Zijn naam hangt samen met de
woorden waaien en woeden. Zijn echtgenote was de zonnegodin Freija. Zij beschermde de huiselijke haard,
beloonde de ijverigen en strafte de luiaards.
Haar hemelwagen werd voortgetrokken door twee katten. Omdat haar verering niet alleen in Scandinavië,
maar ook in geheel Germanië algemeen was, stonden begrijpelijkerwijs ook katten in die streken in
hoog aanzien. Het is daarom niet onwaarschijnlijk dat zij zich op hun rooftochten lieten vergezellen
door dat vereerde dier. Zeker deden zij dat als zij het niet bij plundertochten lieten. Wanneer het
land hun aanstond, haalden de zeerovers hun vrouwen en kinderen van overzee en vestigden zich in het
vreemde gebied. Zulke nederzettingen stichtten zij ook aan de rotsachtige kusten van het Noordoosten
van Amerika. De Noormannen noemden het gebied Vinland, land van de wijnranken. Nog tot halverwege de
veertiende eeuw voeren de drakeschepen van West-Groenland naar het zuiden van Labrador om hout voor
de scheepsbouw te laden.
De inheemse kat van Scandinavië is de langharige Norsk Skogkatt of Skaukatt,
wat boskat betekent. Om te zien een vervaarlijke sinjeur. Het zijn flitsend snelle jagers met
krachtige klauwen, waarmee zij schijnbaar moeiteloos over de rotsen klauteren en in de hoogste bomen
klimmen achter hun prooi aan. De wollige ondervacht en de lange gladde dekharen beschermen hen tegen
de kille regen en de koude sneeuw. Toch zijn zij beslist niet zo wild als zij er uit zien. Zij zijn
integendeel heel zachtaardig. Tegenover mensen zijn zij zelfs buitengewoon aanhankelijk. Het is een
onmiskenbaar feit dat van alle katten ter wereld deze Noorse Boskat het meest lijkt op onze Maine
Coon en volgens de bovenvermelde theorie is dat ook niet verwonderlijk, de Noorse Boskat is de
voorouder van de Maine Coon. Met het verhaal van de bastaard wasbeer en de scheepskat der Vikingen
is het aantal legenden over het ontstaan van de Maine Coon echter nog niet voltooid. Het nu volgend
verhaal is stellig het meest hartbrekend van alle.
Op de veertiende juli 1789 bestormde het razende gepeupel de Franse staatsgevangenis in Parijs,
het sombere bastion van de Bastille. De mensenverslindende Franse revolutie was begonnen. Vier jaar
later vond zij haar droevig dieptepunt in de dood onder de guillotine van de jonge koning en koningin
van Frankrijk. Tegen de kolkende ontwikkelingen van zijn tijd zou geen vorst hebben kunnen stand
houden, maar zeker niet de gezette Lodewijk XVI. Hij stak vol goede bedoelingen, maar was onhandig
en zwak van karakter. Van deze goeie lobbes eiste het koningschap meer dan hij in staat was te geven.
Op 21 januari 1793 hief de beul het afgehakte hoofd van de koning hoog op. De juichende menigte was
buiten zinnen van vreugde.
Negen maanden later, op 16 oktober, besteeg zijn jonge weduwe, Marie Antoinette, moedig en waardig
het schavot op de Place Louis XV, de latere Place de la Concorde. Vlak voor de hekken van haar huis
en de tuin waar haar kinderen hadden gespeeld, vond zij een gewelddadige dood. De knappe aartshertogin
van Oostenrijk was nog geen veertig jaar oud. Zij was een beeldschone, tengere jonge vrouw geweest met
mooie goudblonde krullen. Maar ze was ook een onwetende kwebbelkous en leidde luchthartig een
grenzeloos verkwistend leven. Van de Fransen begreep zij niets. Ze was dan ook al dadelijk niet geliefd.
Om die reden trok zij zich meer en meer terug op Petit Trianon, een kasteeltje waar zij met haar
hofdames toneelspelletjes opvoerde, danste en gokte. Daar speelde zij ook het eenvoudige boerenmeisje
in een zijden jurkje met een kanten schortje. De lammetjes in de wei droegen lichtblauwe satijnen
halsbandjes met zilveren belletjes.
Ze was
eenvoudigweg dol op katten en had er daar verscheidene van, allemaal langharig, een grote
zeldzaamheid in die dagen. Het werd haar steeds duidelijker dat de koninklijke familie moest
vluchten. In 1791 was zo'n poging al eens mislukt. Het verhaal gaat dat Marie Antoinette het in het
diepste geheim nog eens probeerde, ditmaal geholpen door de beroemde generaal Lafayette. Deze
dappere markies was een oorlogsheld. Hij had actief deelgenomen aan de Amerikaanse
Onafhankelijkheidsoorlog van 1775. Deze royalist was van mening dat het vorstenpaar in het land van
de vrijheid aan de overkant van de oceaan rust en vrede zou vinden. De keuze lag voor de hand:
Maine, genoemd naar de oude Midden-Franse provincie. Weliswaar had het Verdrag van Parijs van 1763
een eind gemaakt aan de Franse pogingen het gebied in handen te krijgen, maar de Franse invloed was
er nog steeds groot. Haar lievelingskatten wilde Marie Antoinette echter onder geen beding
achterlaten. Ook zij moesten worden gered uit de moordenaars klauwen van de Sansculotten. De
ongelukkige vorstin liet haar langharige lievelingen vooruitreizen naar haar nieuwe vaderland met
het doel zich later bij hen te voegen. Het heeft niet zo mogen zijn, maar haar katten werden wel de
voorouders van de huidige Maine Coon.
Vikingen, wasberen, de koningin van Frankrijk, hoe fraai ze ook klinken, stuk voor stuk ontbreken
de bewijzen voor deze verhalen. Het meest waarschijnlijke is dat de Maine Coon een kleine twee
eeuwen geleden is ontstaan. De zeelui van Nieuw-Engeland namen van hun verre tochten langharige
Angora’s mee. Deze vermengden zich met de plaatselijke kortharige huiskatten.De daaruit ontstane
langharige Maine Coons waren echte werkkatten, fors van bouw, gehard en moedig. Hun lange stevige
vacht beschermde hen tegen de ruige winter. Op het boerenland hielden zij in hoeven en schuren
ijverig het aantal ratten en muizen tot een minimum beperkt. De boeren van Maine waren maar wat
trots op hun harde werkers, hun eigen kattenras.
Lang voor er sprake was van officiële
katten-tentoonstellingen hield men in Maine al kattenshows voor Maine Coons. Die gaan terug tot de
jaren zestig van de 19ste eeuw, tien jaar voor ‘s werelds eerste algemene kattententoonstelling in
Londen in 1871. Een beroemde Maine Coon uit die dagen behoorde toe aan de gebroeders Pierce. Het was
de koolzwarte Captain Jenks of the Horse Marines, in 1861 door een van zijn beide eigenaars
beschreven in “The Book of the Cat”, Het Boek van de Kat. In de jaren negentig van de 19e eeuw
was de Maine Coon de meest voorkomende kat op alle tentoonstellingen van Noordoost Amerika. Nog een
beroemde Maine Coon uit die jaren was Leo, een black tabby. Hij werd Best in Show in New York City
in 1895. Op de beroemde shows in Boston won hij de eerste prijs in 1897, 1898 en 1899. In 1900 werd
hij uiteindelijk verslagen door zijn zoon. Wonderlijk genoeg liep van die tijd af om onbekende
redenen de belangstelling voor Maine Coons scherp terug. In 1904 waren zij vrijwel van het
tentoonstellingstoneel verdwenen. Misschien moet de oorzaak daarvan wel worden gezocht in de opkomst
van de nieuwe luxe moderassen die in die tijd zo in de mode kwamen.
In 1953 kreeg het herstel van het ras vorm in de Central Maine Cat Club die tentoonstellingen
hield waarvoor uitsluitend Maine Coons konden worden ingeschreven. Dit was een plaatselijke
vereniging in de staat Maine. Op 21 september 1968 richtten zes geestdriftige liefhebbers een
landelijke organisatie op, de Maine Coon Breeders and Fanciers Association. Nu zijn leden actief in
haast alle staten van de Verenigde Staten van Amerika en een groot aantal Canadese provincies. Zij
stellen zich tot doel het oude geliefde ras zijn vroegere populariteit terug te geven. Er volgden nog
meer organisaties in de Verenigde Staten, met als laatste de in oktober 1976 opgerichte
International Society for the Preservation of the Maine Coon Cat, ISPMCC. Vlak daarvoor, op 1 mei
1976 was het ras erkend door Amerika’s grootste organisatie op raskattengebied, de Cat Fanciers
Association, CFA. Een lange rij van erkenningen was daarmee afgesloten, want de CFA was de laatste
die de Maine Coon officieel tot ras verklaarde. Daarmee is het ras dus sinds een kleine zes en
twintig jaar overal in Amerika erkend.
Het is een van die vreemde toestanden waaraan de kattenwereld
zo rijk is, dat een lange strijd van talloze liefhebbers uit de gehele Verenigde Staten noodzakelijk
is geweest om een van Amerika’s alleroudste kattenrassen officieel erkend te krijgen. Kort na de
“wederopstanding” van de Maine Coon in Amerika konden de kattenliefhebbers op het vasteland van
Europa ook kennis maken met dit aantrekkelijke ras. Toch is er eigenlijk maar één enkel land waar de
Maine Coon werkelijk is doorgedrongen en dat is de Bondsrepubliek Duitsland. Daar is het op het
ogenblik geen uitzondering als er op een tentoonstelling veertig tot vijftig Maine Coons in allerlei
kleurslagen zijn te bewonderen. Maine Coons zie je tegenwoordig ook nogal veel in Nederland, ze zijn
in opkomst in Zweden en voor de rest van Europa blijven ze een zeldzaamheid. Maar in alle andere
Europese landen blijven zij een zeldzaamheid.
Toch doen de Maine Coons als raskatten voor geen ander onder. Hun stevige en tegelijkertijd
zachtvloeiende vacht is niet overal even lang. Hij is kort rond de schouders en lang bij de buik en
de flanken naar de achterpoten toe. Maine Coons hebben wel een bef, maar hun kraag gaat niet
helemaal rond, zoals dat bij de Perzisch langhaar het geval is. De Maine Coon kraag begint achter de
oren en staat daardoor nogal opzij. Hun vacht voelt tegelijkertijd zwaar en zacht aan. Door de korte
ondervacht staat hij niet uit zoals vroeger oma’s poederdons, maar volgt soepel de lijnen van het
lichaam. Het onderhoud van de vacht kan tot een minimum beperkt blijven; hij hoeft maar weinig te
worden gekamd en geborsteld. Wel is het een onder sommige exposanten van Maine Coons een vrijwel
onuitroeibaar misverstand te denken dat een Maine Coon voor een tentoonstelling niet behoeft te
worden gewassen. Zoals bij elk “concours de beauté” ziet men de deelnemers graag niet alleen mooi
maar ook schoon, of op zijn Vlaams gezegd: niet alleen schoon, maar ook proper. En zoals een “Miss
World” onvoorstelbaar is met een onverzorgd en vet kapsel, evenzeer onvoorstelbaar is een kampioen
Maine Coon met een vettige, onverzorgde vacht. Dat wassen dient dan wel op zijn laatst enige dagen
voor de tentoonstelling plaats te vinden, zodat de vacht zijn natuurlijk veerkracht kan herwinnen.
De kop valt op door zijn hoge jukbeenderen en vierkante snuit. De oren zijn vrij hoog op de kop
geplaatst, groot, breed bij de inplanting en lopen spits toe. De grote, sprekende ogen staan ver uit
elkaar. Hoewel ze vrijwel rond zijn, staan ze toch lichtjes schuin geplaatst. De neus is daarbij
tamelijk lang met een lichte welving bij het voorhoofd. De kin is stevig en vormt één lijn met het
puntje van de neus en de bovenlip. Hun lange dichtbehaarde staart is niet alleen maar een sieraad.
Als Maine Coons in de kou moet slapen, slaan zij hem over hun voetjes en verbergen er ook nog hun
kop tot hun oren in. Zo hebben zij steeds hun eigen slaapzak bij zich. Bij de oren en de voetjes
dragen Maine Coons mooie lange haarpluimpjes. Zij staan tamelijk hoog op de brede, krachtige poten.
Hun lichaam is ook al krachtig en gespierd. De borst is diep en breed. Waar de achterpoten en de
romp samenkomen, moet het lichaam een duidelijke hoekige indruk maken. Een ronde tonvormige romp is
ongewenst.In hun geheel zijn Maine Coons gespierd, stevig en krachtig. In alle opzichten doen zij
natuurlijk aan. Maar hoe een stevig natuurgeweld zij ook mogen lijken, zij hebben een bijzonder
zachtaardig karakter. Het zijn ideale katten voor een huisgezin met kinderen. Zij zijn wat verlegen,
rustig en erg intelligent. In Nederland en België worden Maine Coons steeds populairder,en wie er
eenmaal mee heeft kennis gemaakt blijft voorgoed een trouw bewonderaar van dit aloude kattenras.